Select Page

Uit de nieuwskeuken van Seven: rusthuisbewoner

Uit de nieuwskeuken van Seven: rusthuisbewoner

Beste lezers,

Borgerrio dertien, kleurrijk straatfeest. De hittegolf komt er aan, ik moet volgende week van hot naar her maar voor deze column zit ik nu op mijn favoriete terras (dat schrijft alsof ik er zoveel heb of ken) en drink mijn koffie zoals ik hem graag heb : sterk en warm, zeg maar gerust heet. Ik neem mijn voorzichtige eerste slok, zorgende dat ik mijn lippen niet brand aan het schuim.

Nadat ik het schuim met een voorzichtig slurpje van de koffie gescheiden heb, glijdt de ganse kop als gloeiende lava mijn keel in. Op het schoteltje ligt de traktatie van het huis : een klein koekje, waar de chocolade, door de hitte van de tas, een beetje uitgelopen is. Het lijkt me elke keer weer een gouden combinatie.

Aan het tafeltje naast mij gaat een dame zitten. Ik schat haar net in de zeventig, maar tegenwoordig weet je het nooit. Ik kan me vergissen, maar wellicht heeft ze onlangs nog een kruiwagen met geld gedoneerd aan een bekend plastisch chirurg om haar vel richting haar zonnehoed strak te trekken. Ze heeft een fraai figuur dus geef ik haar maar het voordeel van de twijfel.

Haar bronsgebruinde benen (zonnebankbruine is een beter woord) komen onder een modieus kleedje vandaan, en ze heeft ze op een dusdanig geraffineerde manier over elkaar geslagen, dat elke man wel moet kijken, en dat weet ze. Aan haar voeten draagt ze met gouddraad afgezette merkschoenen, waardoor haar rodegelakte teennagels zichtbaar zijn. Hoe langer ik naar haar kijk, hoe meer ze mij bekend voorkomt. Maar dat is wel vaker als je in een multiculturele stad woont. Ze bestelt, met een soort gespeelde sensueel hese stem, ook een koffie, en zegt verder niets, tot de koffie door de vriendelijke ober op haar tafeltje wordt gezet. Ze gooit het suikerzakje leeg in haar tas en begint te roeren.

Dan kijkt ze mij voor het eerst aan, waarbij haar oogleden een beetje zwoel gesloten zijn, en zegt : “ Hé, jij bent toch Seven?” Trots (ik geef het niet graag toe) omdat ik herkend word, bevestig ik dit door minzaam te knikken omdat ik mijn stem niet helemaal vertrouw.

“En? vraagt ze, “wanneer schrijf je eens iets over rustoordbewoners?”

Vandaag dus geef ik haar (en jullie) een venster op het leven.

Naar niets kijkend kijkt de oude vrouw door het beregende raam. Haar spiegelbeeld kijkt terug en ziet een door de tijd getekend gezicht, met diepe groeven die getuigen van verdriet en leed. Een zeldzame lach, die soms zomaar uit zichzelf lijkt te ontstaan, kan daar geen verandering in brengen. Haar lange zilvergrijze haar hangt vettig in haar nek. De waterige ogen zien projecties uit een ver verleden. De eerste schooldag, de ontmoeting met haar grote liefde, haar oudste dochter, pas geboren, liggend in haar armen. Beelden, helder voor haar, onzichtbaar voor anderen. Een enkele traan loopt langzaam langs een kanaal van rimpels naar haar mondhoek, een zoute smaak van herinneringen achterlatend.

Een over-vriendelijke verpleegster komt binnen en zij ondergaat gedwee de vernederende verzorging. Ze ontdoet haar van de bevuilde nachtkleding. Ooit zou ze zich kapot hebben geschaamd als ze zich gedurende haar slaap bevuild zou hebben. Nu is het elke dag weer de vraag of de luier het 24 uur volgehouden heeft. De ervaren handen wassen haar en stoppen haar, niet geheel onzacht, in schone kleren. Eindelijk een uurtje rust, maar daarna is het voedertijd. Elke keer weer is het een prestatie om zonder knoeien het fijn versneden voer binnen te krijgen. Als zij het zelf doet vliegt het eten overal heen, behalve haar mond in. Dus is er een voederassistente die, om een grote smeerboel te voorkomen, het schier ondefineerbare goedje bij haar naar binnen te lepelen. Omdat haar mond en tong niet meer precies doen wat zij wilt, druipt alles, tot grote ergernis van de voedervrouw, regelmatig langs haar kin weer naar buiten. Dus zit ze ingewikkeld in een laken haar warme hap naar binnen te slikken.

Het horrormoment van de dag is aangebroken en men plaatst haar in een hoekje in een zaal. Soms komen er mensen naar haar toe die haar aanspreken met ‘oma’, maar zij kent die mensen helemaal niet. Het wordt pas echt gezellig als die figuren hun kroost bij hebben. Dan heeft zij binnen een paar minuten kloppende hoofdpijn. Maar vandaag komt er niemand, dus brengen ze haar terug naar haar kamer. Nu kan zij weer door het raam naar buiten kijken. Kijken naar mensen die langs lopen, een koolmeesje dat, zittend op de vensterbank, even naar binnen kijkt. Zo wacht ze op de vrouw die haar in bed zal stoppen. Dan gaat zij zorgeloos slapen, totdat een nieuwe morgen haar wakker roept. Een dag waarop het allemaal opnieuw begint, deze column begon bij een tas koffie en een vraag van ‘géén idee wie zij was’ dus zeg ik graag tot méér lees volgende week.

 

Groeten,

Seven.

 

About The Author

mm

Wilfried Defillet schrijft al jaren als freelance-journalist en was o.a. correspondent van GvA voor het district Deurne. Hij werkt mee aan buurtbladen zoals 't Vliegerke en Borgerblad

Leave a reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *