Select Page

Uit de nieuwskeuken van Seven: Ode aan mijn poetsvrouw

Uit de nieuwskeuken van Seven: Ode aan mijn poetsvrouw

Beste lezers,

Het is zaterdagochtend en de zomer komt er met rasse schreden aan. Terwijl ik nip aan een eerste tas koffie denk ik hoe ik gisteren, tijdens een wandeling in mijn buurt, mensen met handschoenen aan, deurbellen en brievenbussen zag ontsmetten. Even dacht ik nog : ’t is gewoon de Corona verspreiding die men wil temmen maar toen ik thuis kwam wist ik de achterliggende gedachte. Iedereen was aan de poets, als een soort eerbetoon aan alle schoonmakers (m/v) omdat het de dag van de schoonmaak was.

Elk jaar bedanken we -zo goed halverwege de maand juni- de schoonmakers en schoonmaaksters voor het werk dat ze dagelijks leveren, voor hun enthousiaste inzet en voor het verschil dat zij maken bij de vele bedrijven en particulieren in ons land.
Dat was dus ook gisteren het geval.
Vandaag (en met een etmaal vertraging) wil ik daarom dit eerder -voor hen geschreven “speciaal” ochtendvruchtje- nog eens opnemen in mijn wekelijkse column!
ODE AAN MIJN POETSVROUW
(bedankt David btw)

Aan de geur weten welke dag het is. Laat thuiskomen. Bij de deuropening beseffen: ach ja, het was dinsdag vandaag. Licht aan. De polen van het tapijt staan weer rechtop.
Het was een eerder grijze dag geweest.
De slaapkamer: een hotelkamer met schone lakens.
De badkamer: jezelf weer zien in de kranen, langgerekt.
De schrijfkamer: ze heeft je briefje gevonden. Hoeveel van die briefjes heb ik de afgelopen jaren geschreven? Geen idee. Om de twee weken eentje.
“Bonjour S., je hoeft de lakens niet te verversen vandaag.” Ik was toen veel in het buitenland.
’‘Salut S., rien de spécial aujourd’hui. Si tu veux, il y a de la soupe au frigo. Bon appetit.’
Eén keer heeft ze gezegd dat ze dat fijn vond, die briefjes. Dat was jaren geleden. Hoeveel jaar komt ze hier überhaupt al? Twaalf? Dertien?
Ze was nog ‘illegaal’ toen. Wat een vreselijke uitdrukking.
De papieren voor haar en haar gezin kwamen pas later. Ik heb haar man er nog mee geholpen. Ik heb haar kinderen groot zien worden. Hun Frans werd beter dan hun Albanees. Ze spraken het met haar, maar schreven het niet of nauwelijks. Het koddige dochtertje werd een jonge vrouw. De zoon ging studeren.
Nog steeds enige gêne voelen. Nog steeds denken aan de woorden van Gandhi, dat je je hele leven lang ook nederig werk moest blijven doen.
Daarom heb je geen vaatwasser. Ik heb er wel één!
Maar toch: die paar borden zelf afwassen, is dat niet enkel om mijn geweten te sussen? Het is zo weinig vergeleken met wat zij allemaal doet.
Je afvragen of ze wel loon naar werken krijgt. Je afvragen hoe ze het volhoudt, zes dagen per week, bij al die gezinnen en singles waarvan ze de huissleutels heeft.
Je ongemak afkopen met af en toe een groter bedrag. ‘Ik heb een prijs gewonnen,’ op het briefje schrijven. Of mompelen. Haar stralende ongeloof dan.
Je nog gegeneerder voelen.Soms thuis zijn wanneer zij er is. Geluiden uit de kindertijd dan: iemand die neuriet in een aanpalende kamer. Het soppen van een dweil. Het sissen van het strijkijzer.‘Kom, S., zullen we samen lunchen? Wil je thee?’
Luisteren naar de verhalen over haar land. Over de familie.
De gezondheid van haar verre moeder.
Stortvloed van woorden in haar elementaire Frans. Ik ben ooit naar haar land gereisd en heb daar met haar broer vis gegeten in een verlopen oud wegrestaurant. Sindsdien kan ik me iets bij de plaatsnamen voorstellen.
Bij de heimwee ook.
Misschien weet niemand meer over haar dan ik. Ze heeft in de kast dameskleren gevonden en later weer zien verdwijnen. Ze heeft bedden gezien, omgewoeld door liefde en omgewoeld door eenzaamheid. Ze heeft de donkere achterkant van mijn openbaarheid gezien.
Ze stelt geen vragen.
Na al die jaren strijkt ze nog steeds mijn ondergoed.
‘Pour tuer les microbes,’ zegt ze overtuigd als ik weer eens een poging hebt ondernomen om haar van die malle gewoonte af te helpen.
Jaren geleden was ik zo ziek als een hond. Ik belde toen om te zeggen dat ze niet moest komen morgen. Ze kwam diezelfde avond nog, samen met haar man. Het was december en steenkoud.
Ze hadden een keteltje soep meegenomen.
Een oud familierecept uit de Balkan. Een keteltje soep. Zij en haar man.
Ze waren ermee door de straten gelopen van Antwerpen, in de kou. Een hand aan elk handvat, als bracht ze het van het fornuis naar de eettafel. Maar dan door de kou, in Antwerpen,in het donker. Het is jaren geleden. Nog steeds een krop.

 

Graag tot meer lees volgende week.

Groeten, Seven.

About The Author

mm

Wilfried Defillet schrijft al jaren als freelance-journalist en was o.a. correspondent van GvA voor het district Deurne. Hij werkt mee aan buurtbladen zoals 't Vliegerke en Borgerblad

Leave a reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *