Select Page

Uit de nieuwskeuken van Seven

Uit de nieuwskeuken van Seven

Beste lezers,

Het is na een stukje zomerse lente wat frisser geworden. Er is nog meer regen op komst, coronamaatregelen ebben langzaam weg terwijl mensen een soort nieuw tijdperk binnen stappen. Het is zaterdag, ik stap de deur uit en alles is precies zoals altijd. Het is nog vroeg.
Ik zie de bejaarde vrouw met het vrolijk trippelende witte hondje, zoals altijd hangen er bruine klontertjes rond de aars van het beestje. Een vroege -of late- dronkenlap zo u wil ontmoette Lazarus. Ik vraag mij af of-én-waar hij Malle Babbe vond bij een kraag schuimend bier. Een gehoofddoekte moeder met haar twee kleine kinderen schuifelt langsheen druk appende jongelui op afgetrapte sportschoenen. De bus, op tijd zowaar. Alles zoals altijd.
Een terrasje, wachtend op “opnieuw open”. Ik krijg geen hartelijke hand meer gedrukt in de toekomst. Het zal wennen zijn voor de gemondmaskerde ober, ik wil gewoon een koffietje bestellen. Een kopje troost vol aroma terwijl ik wegzink in gedachten vol gemis. De vroegere handdruk op zich leidde me ooit tot het wegduwen van wat met periodes ook aanwezig kan zijn: “de minder goeie momenten.” Koffie.
Op de vraag :” hoe gaat het met je ?” (alsof hij me al jaren kent) volgde mijn overdreven gevormde antwoord met een brede glimlach : ” helemaal oké en met jou?”.
In mijn -vol met liefde gekregen- notaboekje schrijf ik over Vlissingen, Roosendaal en passage Oostende.
Die laatste -de koningin der badsteden- moet me de laatste dans nog schenken.
Ik laat oude dikbuikige dijkjoggers rennen, laat viskraampjes floreren als never before en wuif een overzetboot na “direction fort Napoleon”.
Een kopje koffie en 84 meldingen op Facebook. Gertje had er méér.
Ergens gaat de dag zijn gangetje, ook tussen de 4 muren.
In mijn zielenroerselen van deze ochtend laat ik haar huilen en wegkruipen in bed. Geen mens die het weet, geen mens laat ik erop letten …
In een nieuwe vrucht kruipt ze weg uit schaamte, weg van de rede van haar verdriet tussen grammaticale muren, is er niemand die het ziet … Ik alleen zie het hoe ze weg kruipt onder haar huid waar ze de leegte aanraakt. Ik geef haar stem een holle klank, laat de volle emmer wegstromen en schrijf over ” het missen van gewoon gelukkig kunnen zijn …”
Het bos waar over de vijver een reiger zweeft vol verlangen met de hoop der vervulling wordt wakker. Kikkers zoeken koeling aan de rand terwijl een statige bomenrij aan de rand van het bos de -nog met laag hangende nevel-, als deken bedekte weilanden bewaakt. Jonge koolmeesjes lijken de oriëntatie kwijt, de familie merel -onbezorgd viertal van gele snavels- bivakkeert op het beregende tuinhuis terwijl een pas weduwnaar geworden kauw een diepe zucht slaakt. Gezwollen kerkklokken etaleren hun bombastisch ritme in het moment tussen slapen en wakker worden. De wind ruist met ochtendfrisheid, wolken lichtblauw verbergen nog de mildheid van een regenbui .Als de natuur haar wekt denkt ze terug aan de afgelopen weken.
Tijd. In de nestwarmte meert ze aan en laat haar tijdloos wat drijven.
Het is een soort cocon waar haar alles kabbelt gebogen over eigen druppels. Hier legt ze levende hoofdstukken vast in stille beelden.
Gevangen momenten die ze als witte vellen kleurt met tedere pennenstreken achter alinea’s vol dromen.
Jagt. Drijvend op de golven van stille weemoed vallen muren in donderend geraas op herinneringen.
Het is tijd om op te staan tussen scheuren in de fundering en eerdere brokstukken. Het zonlicht door de blinden splitst haar lichaam. Hier in het donker, tussen de lakens verdwijnt de tijd. Haar huid, billen en buik meisjeszacht in de ontluikende morgen, tussen de lakens is de jaren kwijt. Onzichtbaar voor elk oog, uitgepakt in fris gewassen lakens snerpen kreten als ijzel door de kamer.

Langsheen de beklemming van géén vragen, de ontweken stille tranen.
Als het bedauwde web van de morgen begeeft, het tedere bedruppelde hart een kreet smoort lijkt het speelveld van de opkomende zon op een omgeploegd veld. Het natte gras, de sporen van de nieuwe morgen zijn nog vers.
De “rosse” is wakker. Terwijl ze ontspannend spint vertel ik haar over hoe ik de wereld zou rond reizen naar alle landen waar jij ooit was, ik je tegen kom en dan doen we samen de rest. Buiten aan de tramhalte staat een dame met half open jas, er schijnt iets treurig in haar ogen.
Ze maakt een handgebaar alsof ze daarin wat woorden doodzwijgt. Haar ogen zijn op de overkant gericht, géén tram in zicht. Een gezwinde grijsaard schuifelt voorbij.
Ik lees Oeyen : “ Hij draagt dagen met zich mee, zware en zwarte dagen. Dagen zonder zonneschijn en liefde. Hij zucht, denkt na en praat met zachte stem. De pijn klinkt door zijn woorden, zijn ogen vragen. Hij draagt dagen met zich mee die hij het liefst niet had gekend.”
Als een scherprechter op een verlichtingspaal een stadse buizerd. Hij toont zijn gevlekte borst aan het nog slaperige verkeer, zijn blik raakt de auto’s niet. Hij beantwoordt nooit een groet van vroege passanten. Onopgemerkt door velen gevangen in hun eigen blik. Ik grabbel in de letterbak, mijn hoofd is als een lege zaal. Ik zoek letters, woorden en zinnen op papier die zich aaneen rijgen op zoek naar verbinding. Buiten, ieder jaar de grootstad getrouw vangen zwaluwen de eerste dansende muggen, de “rosse” wil haar ontbijt dus strooi ik bruine brokjes in haar kom.
Aan de schrijftafel laat ik mezelf nog eens struikelen over schoentjes van in een park spelende kinderen.
Jeugd van vroeger, die echt groen gras verkopen midden in de stad terwijl anderen -gezeten op een bank- boeken stuk lezen op zoek naar hun eigen verhaal.
Ik schrijf een nieuw wij-verhaal. Over afscheid nemen, lief hebben maar ook over de natuur en tijd…én missen!

 

Graag tot meer lees volgende week.

Groeten, Seven.

About The Author

mm

Wilfried Defillet schrijft al jaren als freelance-journalist en was o.a. correspondent van GvA voor het district Deurne. Hij werkt mee aan buurtbladen zoals 't Vliegerke en Borgerblad

Leave a reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *