Select Page

Uit de nieuwskeuken van Seven: April

Uit de nieuwskeuken van Seven: April

Beste lezers,

Halverwege april 2020. Het park, vol bomen en vijvers ligt er verlaten bij. Het voelt raar aan nu de lente zich nestelt in onze harten. Een eenzame wandelaar treedt binnen in de stilte van een langzaam pad. Het is nog vroeg als het ontwakende groen zijn stappen dempt. Terwijl het vale licht stilletjes nog even spreekt van de duisternis en zich traag uit de nacht opheft denkt hij bij zichzelf, hoe de tijd steeds sneller gaat en hij veel trager wordt bij levenswet. Hier zwijgt, in het ochtendlijke bos, de stilte van zware dracht die ons momenteel in zijn greep houdt. Hoge wolken jagen op de tijd in hun clair-obscur fataliteit,
oneindig en torenhoog tegenover de ontwakende dag. Waar gaan ze heen? Het antwoord verwacht hij niet, het blijft bij een stil en weemoedig solitair mijmeren.
Langs de gebroken spiegelspanning aan de oever van de vijver, een eenzame reiger. Verder weg op het dorpsplein, had normaal de kermis zijn jaarlijkse hoogmis gevierd. Folklore met een versleten jasje op uitkijk naar wat de dag brengen zal. De molens van de verkiezingen zijn al lang stilgevallen, het is nu nog enkel ellebogengeduw om in positie te blijven. In een hangaar, de oude kermistent -gevouwen- waar normaal eendjes dobberen op de band. Op de glijbaan van aprilse dagen schaatsen mensen met vallen en opstaan.
Vanuit het geopende slaapkamerraam ziet ze de bloeiende heg, die statig haar bloemen draagt alsof het een stralende bruidsjurk is. Zachtjes tokkelt regen op het dak terwijl in het boek van Lenaerts de tijd zomerwaarts en gestadig, uit de mond van de morgen zijn groei lepelt. Op de schouders van de ochtend hangen, onder de kieren van de deur en aan het raam, talloze herinneringen. Het leven is veranderd.
In de zonnestralen van de lente veroveren madeliefjes een stukje onvruchtbare grond, een jong koolwitje wenkt teder naar de nakende zomer terwijl een nachtegaal een nieuw fluitconcert oefent.
Door het raam ziet ze hoe een rhododendron “met blos” haar hart wil stelen, een blijkbaar verdwaalde jonge merel schreeuwt om moeders hulp en in de verte de ochtendmist haar tapijt oprolt.
In de nestwarmte vleien plooiend zich lakens als een fluwelen mantel zich om haar heen. Haar vlinderziel penseelt wat wezelmoed.
In de rustige vervoering van de ochtend denkt ze aan hem. Hoe ze hem wil omarmen, lopend in de vloedlijn van hun ware liefde voor elkaar. Zijn zachte handen in de hare, zilte lippen nippend aan elkaar langs de kustlijn van de rust brengende zee. Over de plaats waar de rust als een zijden deken over hun heen valt, avonden van horizon turen en tederheid die spreekt zonder woorden.
Zaterdagochtend, wereldstad, een dag in kleur. Ik nip zuinig aan mijn tweede tas koffie.
Ik ben ondergedompeld in klank en kleur van de ochtend, van trage vierkanten in reflectie en het licht van een regenboog. Ik voel me vederlicht in de karbonkels van jouw ogen. Ze vermogen het samenvloeien in jou en mij en worden ons verlangen. We staan boven slijk, eb en groeven. Ik streel je gezicht dat mijn oever wordt waar ik te dromen lig. Vannacht , ja vannacht ga ik voor jou de sterren plukken in een caleidoscoop van kleurenregen. Weet je, ik heb je gekust vol ontroering toen alweer eens dat afscheid zich meldde, toen de kleuren vervaagden en duisternis weer aan de horizon verscheen.
In de schrijfkamer zoeken gekunstelde woorden naar het zondagse canvas. De rede vraagt om begiftiging. Nog koffie! Er moet één of ander vreemd, raar en duister geheim in zout verborgen liggen. Het is zowel in onze tranen als in de zee. Morning has broken. Op mijn schrijftafel ligt nu een nieuwe pen – met ware liefde inscriptie – gekregen exemplaar. Toegegeven, ik koester ze meer dan ik er mee schrijf.
Vroeger droop de inkt overal. Ik maakte dan kleine cursieve krulletjes met mijn pen en tekende hartjes in de hoeken van vellen papier. De oude pen is ondertussen niet meer. Gestorven, “in the tin line of duty” zeg maar. Het azerty klavier is nu eenmaal in vaste loondienst. Het klavier -wachtmodus tekst- merkt hoe ik -al vier tassen koffie verder- schuil in mezelf. Schijnbaar achteloos bladerend van wit naar bonte kleuren teken ik lippen en vul ze met de nasmaak van geproefde ware liefde.
Naast een steen- geheel symbolisch- staat een half leeg sigarendoosje, gevuld met gedeelde momenten op een kier.
In het “nachtschriftje” pen ik mijn eigen versie van geroofde zinnen.
Over een gebroken dauwweb, schaduwwoorden zonder rechten en echt groen gras. Met vensters, als omkaderingen van liefdevolle plaatjes van twee.
Over een trotse Griek , zandkorrels bewandeld door de -met rust en tederheid- vervulde muze. Over drukpunten van de juiste snaar in de felle lentezon en gekoesterde verlangens.
In de lagune van het kleine plekje “ONS” laat ik je nog eens struikelen over schoentjes van in het park spelende kinderen. Jeugd van vroeger, die echt groen gras verkopen midden in de stad terwijl anderen -gezeten op een bank- boeken stuk lezen op zoek naar hun eigen verhaal.
Rest de vraag, waar zal de zomer staan als de vakantie, het herweven dauwweb weer zal breken en de warmte van de junizon is weggegaan? Het kleine -gekregen- bladwijzertje zit geklemd rondom een notitiebriefje. “In de verdoving van de verrassing”. Terwijl ik de keuken inloop komt de “rosse” wat geaai bedelen. Terug aan de schrijftafel herlees ik – in korte woorden vervat- ware liefde. Het is stil. Neen, codeïne helpt niet bij een verdoving door de verrassing!  April 2020, nog even volhouden in de melancholie van liefde en bij de koffie.

Graag tot meer lees volgende week,

Groeten, Seven.

About The Author

mm

Wilfried Defillet schrijft al jaren als freelance-journalist en was o.a. correspondent van GvA voor het district Deurne. Hij werkt mee aan buurtbladen zoals 't Vliegerke en Borgerblad

Leave a reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *