Select Page

Uit de nieuwskeuken van Seven: Italia sopra

Uit de nieuwskeuken van Seven: Italia sopra

Beste lezers,

Eden Hazard geblesseerd, de “Hala Madrid” schalmt met enige weemoed door het Estadio Santiago Bernabéu en overvallen door een vleugje nostalgie moet ik denken hoe ik vanaf

het wereldkampioenschap voetbal in 1978 een zwak had voor het Italiaans elftal. Ik verzamelde posters, artikelen en plaatjes uit voetbaltijdschriften waarvoor ik met mijn drie vrienden de boekhandels plunderde. Ik ben nooit in Italië op vakantie geweest maar met behulp van twee woordenboeken en een werkwoordenboekje leerde ik mezelf een aardig mondje Italiaans.

Omdat mijn interesse verder reikt dan alleen voetbal, duurde het niet lang voordat de Italo Manie zich vrolijk voortzette in de vorm van het kopen en beluisteren van Italiaanse popmuziek. Ongetwijfeld toen en nu erg fout, maar daarom juist weer plezant.

In die tijd werd Ti Amo van Umberto Tozzi een behoorlijke hit in België. Ik viel bij het horen van de eerste paar noten als een blok voor die aparte, sexy stem en stelde me onmiddellijk een Italiaanse adonis als eigenaar ervan voor. Want als je gezegend bent met zo’n opwindend vocaal geluid kán het bijna niet anders of je moet een ongelofelijk stuk zijn.

Daarom stokt later, in de platenzaak, mijn adem dan ook in mijn keel als ik met open mond van afgrijzen en verbijstering naar het hoesje staar. Hij is geen Italiaanse adonis, hij is ronduit lelijk en heeft rossig haar. Rossig! Ik wist überhaupt niet dat er rossige Italianen bestonden dus ja, die klap moest ik even verwerken. Maar zijn muziek weet deze visuele ontgoocheling gelukkig meer dan voldoende te compenseren.

Ik schuimde met mijn beste vriend alle platenzaken af, op zoek naar de nieuwste lp van Ricardo Cocciante, Lucio Battisti of iemand met de welluidende naam van Dario Baldan Bembo. Het mooiste van alles was dat de songteksten meestal op de begeleidende hoes stonden, zodat ik die kon ontleden. Want ik wist graag waar ik over meezong.

Ik kan wel stellen dat ik zo’n beetje met Umberto Tozzi ben opgegroeid. Mijn hele middelbare schooltijd heb ik zijn platen zowat grijsgedraaid. Er was bijna geen proefwerk dat ik niet geleerd heb met zijn muziek als achtergrond. Met als toppunt van idioterie dat ik zijn lp’s soms dubbel kocht, voor het geval eentje te veel krassen zou oplopen. En die lp’s kregen zelfs, in tegenstelling tot de anderen, een speciale plastic beschermhoes. Hoe gek kun je zijn?

Gedenkwaardig is die keer dat we met zijn vieren naar Brussel gingen waar een concert was van diverse Italiaanse artiesten die op dat moment op het toppunt van hun roem waren. Helaas géén Umberto die avond. De hele zaal zat stampvol en het was er bloedheet.

Het werd één groot feest der herkenning als de ene na de andere act het podium besteeg.

Het trio Ricchi e Poveri trapte af. Je weet wel, dat kleine donkerharige vrouwtje dat als een harlekijn over het podium sprong en twee mannen. Nu ja, mannen. Eentje had net zo’n verwijfde geblondeerde haardos als George Michael voordat deze uit de kast kwam en de andere was een klein onooglijk opdondertje met een wijkende haarlijn en lelijk snorretje. Ze zongen gedrieën over Mama Maria, waarbij de tekstschrijver een onvoorstelbare mate van creativiteit kan worden toegedicht. Want hoe verzin je anders dit literair hoogst ingewikkelde refrein: “Mama má, mama María, ma, mama má, mama Maria, ma, mama má, mama Maria”? Niet dat wij er ook maar één seconde mee inzaten.

Dan kwam  Al Bano, dat bebrilde ventje van middelbare leeftijd die meer op een saaie bankbediende dan op een popster leek. Hij vormde een zeer onwaarschijnlijk duo met de veel jongere, prachtige Romina Power, dochter van de beroemde acteur Tyrone met dezelfde achternaam. Ze kweelden zielsgelukkig hun grootste hit Felicità waarbij ze elkaar tot vervelends toe diep in de ogen keken. Wat weer de vraag opwierp of Romina zelf eigenlijk niet dringend  naar de opticien moest omdat zoveel adoratie voor Al Bano alleen maar kon betekenen dat ze stekeblind was.

Na hun zoetsappige duetje kwam Pupo (spreek uit “Poepoo”) ten tonele, zo’n klein Italiaantje zonder enige uitstraling met een bayface en dito stem. Het was zo iemand die je op straat straal voorbij zou lopen, nog minder opvallend dan de boy next door. Hij zong de melodramatische tranentrekker Forse. Natuurlijk een liefdesliedje van dertien in een dozijn dat verhaalde over een liefde die misschien (forse!) wel of misschien niet stand zou houden. Ideaal voor smachtende pubers met overdreven sentimentaliteit. Zoals, euh, ik.

En dan was er naturalamente Toto Cotugno. Die lange, donkere, super fatterige Italiaan met gitzwarte, tot in perfectie gecoiffeerde haren tot ver in zijn nek en met een stem van schuurpapier, vooral bekend van Sol en L’Italiano. Hij vond zichzelf een eigentijdse casanova en liet dat overduidelijk merken. Hij was volgens mij zó weg van zijn eigen ik dat hij het liefst het hele optreden voor een manshoge spiegel zou doen. Maar hij moest het doen met een uitzinnig publiek.

Uiteraard stonden wij bijna vooraan dus kon ik uitstekend zien hoe de zweetdruppels witte vlekken maakten in zijn zorgvuldig aangebrachte gezichtsmake-up. Én hoe de zwarte druppels haarverf uit de fraai geföhnde haardos op zijn hagelwitte jasje vielen. Ik had het kunnen weten. Die haren waren altijd al té verdacht zwart om echt te kunnen zijn.

Maar ook deze minieme tegenslag mocht de pret niet drukken. We klapten, joelden en galmden met ieder mierzoet liedje luidkeels mee en hadden een super puber avond. In een geluksroes zweefden we naar huis.

En als de encores en bis-bis kreten allang waren uitgestorven, echoënden de vrolijke, zomerse en aanstekelijke melodieën nog na in onze hoofden. Dat waren nog eens tijden! Vandaag heeft mijn nostalgie plaats gemaakt voor bezorgdheid want wat als Eden er niet bij is op het Europees voetbalkampioenschap? We zien wel en zoals Jean-Luc Dehaene zei :” Een probleem moet je pas oplossen als het zich (echt) stelt.” Ik draai nog eens een vinyltje, ontkurk een “Le Pianelle Bramaterra-Jeroboam en kijk al reikhalzend uit naar de openingsmatch in Rome op 12 juni aanstaande, waarin Turkije en Italië elkaar partij geven.

Graag tot meer lees volgende week.

Groeten, Seven. 

About The Author

mm

Wilfried Defillet schrijft al jaren als freelance-journalist en was o.a. correspondent van GvA voor het district Deurne. Hij werkt mee aan buurtbladen zoals 't Vliegerke en Borgerblad

Leave a reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *