Select Page

Uit de nieuwskeuken van Seven: ontmoeting

Uit de nieuwskeuken van Seven: ontmoeting

Beste lezers,

Al dan niet gezwind zijn we met zijn allen in 2020 terecht gekomen. Ik heb de eerste dagen van het nieuwe jaar eens verschillende columns nagelezen, en mij stilletjes afgevraagd of we elkaar de komende maanden niet alleen in het park, maar ook gewoon op straat elkaar goedendag gaan zeggen. Ik was niet alleen met deze bedenking want ook Hilde Van Mieghem hoopte op hetzelfde. We hebben samen 2019 echt afgesloten na een laatste graai uit de rampenpot. Zeg nu zelf : bij een explosie op de Paardenmarkt komen twee mensen om en raken er 14 gewond. Verder weg ontmoetten twee succesvolle gekken elkaar : Trump en Kim Jong-un. De Ponte Morandi stuikt in elkaar in Genua : 39 doden en dan waren er ook nog de vluchtelingen op Samos en Lesbos die er behandeld werden als beesten. Maar kijk, tot zover de graai uit de rampenpot. Het zijn allemaal stuk-voor-stuk beelden die op mijn netvlies staan gebrand. Het zijn beelden die de geschiedenis een zwart randje geven.

Maar vandaag wil ik mijn column een kleurrijke rand geven. Een impressie van een beeld dat mij de afgelopen week ik bijgebleven. ’t Was woensdagochtend. Op mijn fiets stond ik vroeg in de ochtend voor een rood stoplicht te wachten. De miezer die van alle kanten mijn gezicht raakte was net niet nat genoeg om regen te zijn. Ik drukte op de knop die het wachten korter maakt en zag even verderop een meisje op de stoep staan. Ze had blond haar en ik schatte ze ergens in de twintig. Ze droeg makkelijke kleding; een joggingbroek en een grote jas. Het zag er warm uit. In haar linkerhand een grote tas die ze vasthield in een gebalde vuist. Stil als een standbeeld stond ze, zelfs haar ogen knipperden niet. Ze leek er al even te staan. Het enige dat bewoog was haar joggingbroek die wapperde in de wind en haar jas die ook wat meewaaide. Het stoplicht sprong op groen maar ik bleef staan. De miezer werd regen maar het meisje bleef ook staan. Midden in de stilte die zich schuil hield in het gezoem van voorbijrijdende auto’s verklapten haar kale hoofd en het ziekenhuis aan de overkant waarom ze niet durfde over te steken. Zonder dat ik het wist stond ik al een paar minuten te kijken naar iemand die moed aan het verzamelen was. Vanop een afstand zag ik dat ze diep ademhaalde en de druppels van haar hoofd veegde. Ze balde de vuist met de tas opnieuw en keek voor het eerst om zich heen. Ze keek me aan. Ik voelde me betrapt maar keek terug en probeerde mijn gezicht zo te doen dat ik bemoedigend keek, maar zonder te veel medelijden. We keken elkaar aan en waren blij dat je tranen niet ziet in de regen.

Dat beeld zal de geschiedenis niet halen maar het zal ongetwijfeld nog even bij mij blijven. En omdat ik het zo mooi vond, wilde ik het vandaag met jullie delen. Stilletjes hoop ik dat ik haar nog eens ergens tegen het lijf loop en wij elkaar dan glimlachend groeten, zomaar, op straat. Willen wij elkaar -bij dezer- iets beloven? Laten we elkaar voortaan op straat groeten. Ik zal het goede voorbeeld geven, we moeten ergens beginnen. Graag tot meer lees volgende week.

Groeten,

Seven.

About The Author

mm

Wilfried Defillet schrijft al jaren als freelance-journalist en was o.a. correspondent van GvA voor het district Deurne. Hij werkt mee aan buurtbladen zoals 't Vliegerke en Borgerblad

Leave a reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *